Muur bepleisteren

4 stemmen

Klusniveau: Moeilijk

Benodigheden

Pleisterwerken zijn altijd nodig, zowel in nieuwbouw- als renovatieprojecten. Met de nodige oefening kan je zelf pleisterwerken uitvoeren.

1.

Ondergrond voorbereiden

  • Dicht gaten en scheuren in de muur met een vulmiddel. Raadpleeg hiervoor onze klus ‘Muur repareren’.
  • Reinig de muur, zodat die mooi en zuiver is.
  • Normaal gezien kan je binnenmuurstenen rechtstreeks bepleisteren, omdat ze voldoende poreus zijn om een goede hechting van het pleister te garanderen. Maar als ze té poreus zijn en zo al het vocht uit het pleister wegzuigen, is een behandeling met een voorstrijkmiddel (primer) noodzakelijk. Anderzijds moet je erg gladde vlakken (bijvoorbeeld de betonnen latei boven een raamopening) ook met een primer behandelen om een goede hechting van het pleister te verzekeren
  • Om te weten hoe het met de zuigende werking van de ondergrond gesteld is, kan je een eenvoudige test doen. Breng met een blokkwast een hoeveelheid water aan op de muur. Als het water na 5 minuten nagenoeg helemaal verdwenen is, heb je een normaal zuigende ondergrond. Is de ondergrond na 5 minuten nog helemaal nat, dan is die zwak zuigend. Verdwijnt het water zeer snel (ruim onder de 5 minuten), dan is de ondergrond sterk zuigend.
  • Koop het nodige voorbehandelingsmiddel (of middelen, als de ruimte zowel sterk zuigende als niet-zuigende stukken bevat). Breng het middel aan met een verfroller en laat het inwerken.
  • Een afbrokkelende, oude ondergrond (bijvoorbeeld een cementlaag bij renovatie) kan je behandelen met een universeel voorstrijkmiddel, in de winkel ook verkrijgbaar als ‘diepgrond’. Dit garandeert een langdurige hechting van het pleister.
  • Pleisteren is geen proper werkje. Zorg dus dat je zaken die niet vuil mogen worden goed beschermt, en bescherm eventueel schrijnwerk van ramen en deuren met afplaktape. Geef meubels een tijdelijk onderkomen in een ander vertrek.
2.

Dikte van de pleisterlaag bepalen

  • Gebruik een kaarsrechte reilat of een lange waterpas om de vlakheid van de muur te bepalen. Afhankelijk hiervan bepaal je de laagdikte. Die moet dik genoeg zijn om de oneffenheden te kunnen opvangen.
  • Als je van plan bent om de pleisterlaag achteraf te betegelen, heb je een laagdikte van minstens 10 mm nodig.
  • Hou bij het aankopen van het pleister rekening met de gewenste laagdikte. Op de verpakking vind je hierover meer informatie
  • In de winkel kan je droog gipspleister kopen in poedervorm, waar je zelf water bij moet mengen om het op punt te stellen.
3.

Buitenhoeken voorbereiden

(Deze stap kan je overslaan als er in de ruimte die je gaat bepleisteren geen buitenhoeken zijn.)

Om de buitenhoeken mooi strak te kunnen bepleisteren, kan je gebruikmaken van hoekbeschermers. Deze profielen zijn speciaal hiervoor gemaakt.

Maak een kleine hoeveelheid gipspleister aan en gebruik dat om de hoekbeschermers op hun plaats te zetten (zie tekening). Controleer met de waterpas of ze perfect recht staan. En zorg ook dat ze op de juiste afstand van de muur staan (door meer gips te gebruiken), zodat ze straks mooi aansluiten op de gewenste laagdikte van het gips.

4.

Gips aanmaken

Vul een grote metselkuip met de juiste hoeveelheid zuiver water en giet er afhankelijk van de te bepleisteren oppervlakte de juiste hoeveelheid droog gips bij. Op de verpakking van het gips staat hoeveel m² je er mee kan bepleisteren en hoeveel water je nodig hebt.

Laat het gips een tijdje rusten in het water en mix het dan tot een mooie egale substantie met een elektrische mixer.

5.

Gips aanbrengen

  • Leg met een truweel een hoeveelheid klaargemaakte pleister op je pleisterspaan en strijk het van onder naar boven tegen de muur, beginnend onderaan de muur. Werk op deze manier het volledige oppervlak (muur per muur) af.
  • Gebruik nu een lange reilat om het geheel stelselmatig glad te strijken.
  • Zitten er hier en daar nog gaten in het oppervlak? Vul die dan met pleister en strijk opnieuw glad met de reilat.
  • Opgelet: zonder ervaring is het allesbehalve gemakkelijk om overal mooi eenzelfde laagdikte aan te houden. Een mogelijk trucje dat je kan helpen, is houten latten van de gewenste pleisterdikte op de muur schroeven, van de vloer tot het plafond om de 50 cm. Zo hoef je enkel de vlakken tussen de latten op te vullen met pleister. Nadien kan je de reilat over de houten latten strijken om het pleister glad te maken. Zorg dat je met je reilat niet achter de schroeven in het hout blijft haken (dit kan je vermijden door ze diep genoeg in het houtoppervlak te schroeven).
  • Een andere optie is werken met ‘afrijprofielen’, die je op voorhand vastzet in enkele dotten pleister. Zo is het veel makkelijker om de profielen goed te positioneren, dan wanneer je ze tegen de muur nagelt of schroeft.
  • Nadat je de muur hebt bepleistert kan je de profielen wegnemen. Vul de ontstane sleuven op met overgebleven pleister dat je met een reilat gladstrijkt.
6.

Wapening aanbrengen

  • Wanneer de ondergrond scheuren vertoont of wanneer je een plaats bepleistert waar twee verschillende ondergronden met elkaar in contact komen, voorzie dan een wapening in de pleisterlaag. Dit is een net uit glasvezel dat de kans op scheuren in het pleisterwerk verkleint.
  • Breng iets meer dan de helft van de voorziene laagdikte van het pleister aan en druk dan het net zachtjes in de substantie. Snij met een breekmes de overtollige randen weg en strijk de rest van het pleister over het wapeningsnet.
  • Als je meerdere wapeningsnetten naast elkaar aanbrengt, laat ze dan ongeveer 10 cm overlappen.
  • Afwerken kan gewoon zoals hierboven beschreven.
7.

Pleister afwerken

  • Wacht tot het pleister al wat opgedroogd is en ga er dan met een spackmes overheen om het mooi glad te maken.
  • Wacht opnieuw en strijk dan voor de laatste keer het pleister glad.
  • Laat het pleister verder opdrogen voor je de uiteindelijke afwerkingslaag aanbrengt.

Dit heb je nodig

  • Materialen (4)





  • Gereedschappen (5)